Verbouwingsgeschiedenis

Stedelijk Museum eind negentiende eeuw
Het Stedelijk Museum is aan het einde van de negentiende eeuw ontstaan, op initiatief van een aantal eigenzinnige (en bemiddelde) burgers die de hedendaagse kunst wilden tonen. Het is gebouwd als onderkomen voor de moderne kunst en stond vrijwel meteen symbool voor de economische en industriële groei van Amsterdam.
Kunst was de zorg van de stad, en niet van de landelijke overheid. De toenmalige stadsarchitect Adriaan Willem Weissman heeft het ontwerp gemaakt, waarbij het uiterlijk vanhet gebouw duidelijk ondergeschikt was aan de bestemming ervan. Ook het interieur was sober, dat mocht niet concurreren met de kunstwerken. Het werd geopend in 1895.
De opeenvolgende museumdirecteuren hebben allen kleine ingrepen gedaan aan het gebouw, maar onder het directoraat van Willem Sandberg (1945-1963) is het interieur sterk versoberd: alle decoraties werden witgekwast en weggewerkt: het museum werd een zogenaamde witte kubus, waarin zo min mogelijk afleidde van de kunst. Naar voorbeeld van het Museum of Modern Art in New York breidde Sandberg bovendien het museum uit met een tentoonstellingsgebouw en extra publieke functies zoals een bibliotheek, een leeszaal, een depot, een aula en een café. Die extra tentoonstellingsvleugel, de Sandbergvleugel, is in 1954 geopend. Het gebouw met de enorme ramen waardoor je vanaf de straat naar binnen kon kijken, was zeer vernieuwend in een tijd dat musea nog gesloten bolwerken waren.

De Sandbergvleugel in de jaren ’50
Onder directeur Edy de Wilde (1963-1985) is een deel van het Weissman-gebouw in gebruik genomen als kantoorruimte, en toen Wim Beeren het stokje in 1985 van hem overnam, was de behoefte aan extra tentoonstellingsruimte alleen nog maar gegroeid. Sinds 1895 waren de eisen op het gebied van collectiebeheer en -behoud verzwaard en ook de manier van tentoonstellen was veranderd. De eerste plannen voor nieuwbouw stammen uit deze tijd. Wim Beeren schreef bij zijn afscheid in 1992 een prijsvraag uit waaraan vier kandidaten meededen: de Nederlandse architecten Carl Weeber, Rem Koolhaas en Wim Quist en de Amerikaan Robert Venturi. In 1993 koos hij het voorstel van Venturi. Rudi Fuchs, die hem intussen was opgevolgd, stemde hiermee in.

Ontwerp Robert Venturi
Venturi's plan bleek echter te begrotelijk en een stuurgroep van het college van B en W, waarin ook Fuchs zitting had, wees vervolgens de Portugese architect Alvaro Siza Vieira aan als de ontwerper van het nieuwe Stedelijk. Hiertegen kwamen de Bond van Nederlandse Architecten in opstand omdat dit in strijd was met de Europese regelgeving, die bepaalt dat bij een besteding van meer dan 425 duizend (toen nog) gulden meerdere architecten moeten kunnen meedingen naarde opdracht. Het is dan niet toegestaan dat de gemeente aan één persoon de opdracht toewijst. De renovatie en uitbreiding was begroot op 30 miljoen gulden. In de tussentijd had de gemeente echter het budget gehalveerd en werd het plan van eisen door het museum bijgesteld. Dus werd een nieuwe procedure gestart, waar Siza uiteindelijk als beste uitkwam.

Ontwerp Alvaro Siza
Siza heeft tussen 1994 en 2003 gewerkt aan twee ontwerpen voor het Stedelijk Museum, maar beide werden uiteindelijk afgekeurd wegens een 'te gesloten karakter', omdat ze financieel onhaalbaar waren en bovendien voldeden de ontwerpen uiteindelijk niet aan de eisen van huisvesting van het museum. De snelle opeenvolging van wethouders van cultuur in deze jaren maakte de beslissingsprocedure er niet makkelijker op.

Ontwerp Benthem/Crouwel
In 2003 werd een adviescommissie ingesteld - de commissie Sanders, onder leiding van de toenmalige directeur van het Concertgebouw, Martijn Sanders - om een nieuw programma van eisen samen te stellen en opnieuw een prijsvraag uit te schrijven. Het museum moest 'midden in de samenleving staan' en een betere relatie met de omgeving aangaan', vond de commissie. Siza had een paviljoenachtige vleugel ontworpen, van lichte natuursteen, en met een meer gesloten karakter.
Intussen werden op 31 december 2003 de deuren van het museum gesloten in afwachting van de restauratie en de nieuwbouw; dit besluit werd mede ingegeven door het aflopen van de gebruiksvergunningvoor het pand. Het museum verhuisde naar een tijdelijk onderkomen, het Stedelijk Museum CS in het Post CS-gebouw (het voormalige TPG-gebouw) bij het Centraal Station. Het nieuwe programma van eisen voor het Museumplein was bijna klaar en via een openbare aanbesteding kon iedereen eenvoorstel indienen voor de prijsvraag. Er werd bovendien een speciale stichting opgericht om sponsors te werven, want naast het bedrag dat de gemeente Amsterdam beschikbaar stelde moest nog particulier geld worden gevonden. Uiteindelijk heeft die stichting ruim 26 miljoen euro geworven,een record voor Nederland. De gemeente Amsterdam heeft in totaal 81 miljoen euro vrijgemaaktvoor het nieuwe Stedelijk en het nieuwe depot.

Stedelijk Museum CS in het Post CS gebouw
Uit de tientallen inzendingen voor de prijsvraag werden vijf Nederlandse ontwerpbureaus geselecteerd die een ontwerp mochten uitwerken. De jury bekeek deze ontwerpen anoniem, dat wil zeggen dat zij niet wisten van welk bureau de ontwerpen waren. Dat werd pas bekend gemaakt nadat zij hun keuze hadden gemaakt. De vijf uitverkozen bureaus waren Herman Hertzberger, Claus en Kaan Architecten, Henket & Partners, Diederen Dirrix van Wijlick Architecten en Benthem Crouwel Architekten. De jury koos unaniem voor het ontwerp van de laatsten; zij zijn gespecialiseerd in de combinatie van historische bouw en nieuwbouw.
Hun ontwerp laat het bestaande gebouw van Weissman intact, maar er vindt wel een grondige restauratieplaats. De Sandbergvleugel en diverse uitbouwen, zoals het 'marmottenhuis' (zo genoemd vanwege de ingewikkelde trappen en verdiepingenstructuur) maken plaats voor een nieuwe vleugel aan het Museumplein. De grote verandering is het feit dat de hoofdentree naar het plein wordt verplaatst, waardoor de bezoekers niet meer in schaduw, kou of regen aan de Paulus Potterstraat hoeven te staan. Het nieuwe ontwerp, waarover elders in deze bouwkrant meer, heeft inmiddels naar goed Nederlands gebruik al een bijnaam gekregen: de badkuip. Het meest opvallende element aanhet ontwerp van Benthem Crouwel Architekten is namelijk de enorme witte luifel van de nieuwe vleugel, die het doorzichtige entreegebouw overkapt. Hier staan de bezoekers droog en comfortabel om een entreebewijs te kopen.
115 jaar na de oorspronkelijke bouw en na ongeveer 18 jaar verbouwingsplannen zal het een bijzonder feestelijk moment zijn wanneer het hernieuwde Stedelijk in 2010 zijn deuren zal heropenen en de collectie weer in haar volle omvang en rijkdom getoond kan worden.
Drie in één: een nieuw depot
Naast de behoefte en noodzaak voor de uitbreiding van de tentoonstellingsruimte en werkruimte voorhet personeel, bestond ook al lang de behoefte aan een nieuw depot. Tot nu toe was de collectie van het Stedelijk verspreid over drie depots, waarvan twee in de stad en één erbuiten. Vanaf de zomer van 2009 wordt er één nieuw depot ingericht. Daar is plaats voor alle 90.000 objecten die het Stedelijk rijk is, uiteenlopend van videobanden en foto's tot schilderijen, vormgeving, beelden en installaties.

Wethouder Caroline Gehrels met Stedelijkdirecteur
Gijs van Tuyl bij de oplevering van het
nieuwe depot 30 juni jl.
Het nieuwe depot heeft ongeveer 9.000 m2 aan berg- en werkruimte. Want een depot is niet alleen voor opslag; daar wordt ook gewerkt. Het depot heeft ruimtes met verschillende klimaatzones, aangepast op de condities waaronder de uiteenlopende materialen moeten worden bewaard. Er is bijvoorbeeld een metaaldepot, waar de luchtvochtigheid lager is dan in de andere ruimtes, omdat het metaal anders gaat roesten. Kleurenfoto's zitten weer in een soort koelcel, want die moeten bewaard worden bij 3º Celsius, terwijl zwartwit foto's weer goed bewaard kunnen worden bij 16º Celsius. Zo hebben verschillende disciplines een andere behuizing, met een eigen klimaat. De bouw van een kunstdepot heeft natuurlijk een aantal bijzondere eisen: zo moeten de ruimtes hoog genoeg zijn om het grootste object te herbergen, en dat heeft meteen consequenties voor de gangen en de liften die dus ook zo groot moeten zijn. En als dat niet lukt, dienen er creatieve oplossingen te worden bedacht.
Naast het klimaat zijn ook de beveiliging, de belichting en de afwerking van groot belang. Hoe verlicht je een ruimte die van nok tot vloer volhangt met uitschuifbare schilderijenrekken? Komt er genoeg licht tussen de rekken door om de conservator, restaurator of gast die een werk wil bekijken, zijn werk te kunnen laten doen? Bruynzeel, de firma die de inrichting verzorgt, heeft speciaal voor het Stedelijk schilderijenrekken met wieltjes aan de bovenzijde ontwikkeld, om het in- en uitschuiven van de rekken zo trillingsvrij mogelijk te houden. Bovendien zijn voor veel schilderijen houten beschermlijstengemaakt om de werken te behoeden voor beschadigingen.

Depot Paulus Potterstraat

Het nieuwe depot
De vloeren en muren zijn met speciale materialen afgewerkt om de ruimtes zo stofarm mogelijk te houden. Bovendien wordt de ventilatielucht goed gefilterd. Na de verhuizing van alle kunstwerken, een mega-operatie die ongeveer zeven maanden in beslag zal nemen, zullen er straks ongeveer vijftien mensen dagelijks aan het werk zijn in het depot. Er is voorzien in ateliers voor papierrestauratie, restauratie van toegepaste kunst en vormgeving, en een multifunctioneel atelier. In het nieuwe depot zijn bovendien een grote timmerwerkplaats, een fotostudio, een ruimte voor encadrering (inlijsting), voor emballage (het inpakken) en een studiezaal voor zowel bezoekers als werknemers. En tot slot zijn er in het gebouw faciliteiten voor de werknemers en bezoekers, zoals een receptie, een kleine kantine en een EHBO-kamer.
De overige restauratieateliers (schilderijen en beelden) zullen worden gevestigd op de bovenste verdieping in het historische museumgebouw aan het Museumplein; de schuine wanden met ramen erin zorgen daar voor veel licht.
Restauratie oudbouw: stand van zaken
Striptease van een monument
Het gebouw dat stadsarchitect Weissman aan het einde van de negentiende eeuw ontwierp, voldeed al lang niet meer aan de eisen die de hedendaagse musea aan hun huisvesting stellen. Het gebouw was na ruim een eeuw aan een grondige restauratie toe. Bovendien is een hedendaags museum niet alleen meer een tempel voor de kunst, maar is een aantrekkelijke presentatie van groot belang en kan het museum ook niet zonder educatieve elementen en de modernste audiovisuele middelen.


Restauratieatelier tijdens de renovatie
Daarom is het hele gebouw 'gestript' en van alle latere toevoegingen, zoals de tussenverdiepingen (denk aan het prentenkabinet halverwege de grote trap naar de Erezaal), ontdaan. Tegen de stenen muren in de tentoonstellingszalen zijn speciale voorzetwanden van twee lagen hout geplaatst, met een tussenruimte van 10 cm tussen de oude muur en de voorzetwand. In deze wanden en in het plafond is de klimaatinstallatieverwerkt, waarbij de lucht van boven wordt ingeblazen en van onderen weer wordt uitgeblazen,zodat het klimaat in de ruimte optimaal is.
Alle installaties zijn weggewerkt achter deze wanden, zodat de tentoonstellingszalen zo gaaf mogelijk zijn. De wanden zijn bovendien geschikt voor het vele malen bevestigen van kunstwerken en het overschilderen voor elke tentoonstelling.

Werkzaamheden in de hal aan de Paulus Potterstraat
Voeten op de vloer
De vloeren in de tentoonstellingszalen in de oudbouw zullen weer van hout zijn; over de keuze van het parket is nog flink gediscussieerd door verschillende partijen. Het visgraatmotief wilde men niet terug, dat werd te klassiek bevonden; nu is gekozen voor een motief met lange stroken eikenhout in oost-westrichting. Het is bovendien licht 'getrommeld', zodat kleine beschadigingen die onherroepelijk optreden met de duizenden voeten die er overheen lopen, niet opvallen. Het nieuwe Stedelijk verwacht 600.000 bezoekers per jaar.
Het licht zien
Het Stedelijk staat al sinds zijn oprichting bekend om het mooie daglicht dat door de vele dakkoepels in de museumzalen valt. Dat licht wilde iedereen natuurlijk graag behouden, maar die wens stond haaks op de eisen die inmiddels aan de conservering van kunstwerken worden gesteld. Teveel daglicht is schadelijk en moest dus worden gedempt. Er is toen besloten om een lamellensysteem te plaatsen direct onder de lichtkappen, met daaronder tl-verlichting en een isolerende, lichtverspreidende laag. Vervolgens zit daar een velum onder, een strak gespannen doek, waardoor het licht nog verder gedempt en mooi diffuus wordt. Zo wordt het daglicht gesimuleerd, wat maakt dat het niet schadelijk is voor de kunst.
De lamellen kunnen worden ingesteld afhankelijk van het buitenlicht en samen met de geplaatstetl-lampen brengen ze het gewenste daglichteffect. Op een zonnige dag gaan de lamellen helemaal dicht en de tl helemaal aan; bij een regenachtige dag gaan de lamellen half of helemaal dicht, en de tl wat minder fel. De conservatoren waren aanvankelijk sceptisch over dit systeem. Na een proefopstelling waarbij er drie situaties gefingeerd werden en men kon stemmen over het mooiste licht, waren zij echter geheel overtuigd, en werd er unaniem voor het systeem gekozen.

Daglicht in de omloop bij de trap en op zaal
Oplevering
In de zomer van 2009 is het oude gebouw gereed; verschillende zaken moeten daarna nog worden afgesteld, zoals het licht, het klimaat en de beveiliging. De installaties daarvoor zitten echter in het nieuwe gebouw en aan het einde van het jaar kunnen deze systemen dus pas worden getest en bijgesteld.
Met de klok mee
De klok die bovenop de oudbouw staat, heeft de bouwers en omwonenden heel wat kopzorgen bezorgd. In 2004 werd het gebouw gesloten en de nieuwe directeur, Gijs van Tuyl, heeft toen als anti-kraakwacht een tijd in het museumgebouw gewoond. In 2007 verhuisde hij en werd er begonnen met de sloop van de Sandbergvleugel. Toen ging letterlijk 'de stekker eruit', waardoor de klok op 8.50 uur bleef stilstaan. Voor de omwonenden en langsfietsenden bleek deze klok echter een houvast in het dagelijkse ochtendritueel, en 8.50 uur bleek een ongelukkig tijdstip. Dankzij de winkeliersvereniging van de Van Baerlestraat is de klok toen stilgezet op 12 uur, een minder verwarrend tijdstip, maar intussen is de elektriciteit al weer verschillende keren aan geweest, en staat de klok weer anders. Tijden veranderen! Maar straks zal de klok weer het dagelijkse baken en het houvast zijn voor de vele voorbijgangers.
Tekst: Aukje Vergeest