De dood; cultuur- of natuurverschijnsel?

Essaytekst voorgelezen op 11-12-2008 in de Bouwkeet op de Postzegelmarkt. Tekst: Hans Bouman

De dood; cultuur- of natuurverschijnsel?

- Denken wij anders over onze dood, doordat we leven in een samenleving, waarin we steeds minder geconfronteerd worden met natuur, ziekte en dood? -

In onze westerse samenleving is alles altijd verkrijgbaar. We kunnen doen wat we willen. Er is zo'n overvloed aan luxe en mogelijkheden, dat dit soms een probleem lijkt te worden. Mensen weten niet meer wat ze willen. Komen op hun dertigste al in een mid-lifecrisis. Terwijl ze dan nog zeker een jaar of zestig hebben te gaan. (Dit probleem wordt sinds kort dan ook de 'quarterlife-crisis' genoemd)

Negentig of tachtig jaar lang bewegen we ons in omgevingen die op ons zijn afgestemd. Lekker verwarmd, of juist gekoeld. Eten, drinken, medicijnen binnen handbereik. En keuzes, zoveel keuzes om te doen wat we maar willen met ons leven.

Keuze-dilemma

Maar kunnen we dat wel? Zijn wij wel voortbestemd eindeloos keuzes te maken uit vrije wil? Psychologen en marketingdeskundigen weten al lang dat mensen het gelukkigst zijn met hun keuze, als die keuze beperkt is. Je weet dan beter wat je wilt, omdat je bij beperkte keuzes duidelijker weet wat je niet wil. Een zekere dwang lijkt ons te helpen ons vrij te voelen.

En wat is er dwingender dan de natuur? Missen we soms de harde omstandigheden van kou en ontbering, waarbinnen er soms maar één keuze is: te overleven? Juist mensen die het 'even niet meer weten' in hun leven, kiezen hier voor. Ze gaan op wereldreis in een éénpersoons zeilboot. Of ze trekken zich terug in het sobere landleven van een klooster in India of Frankrijk.

Maar deze behoefte leeft ook bij mensen die geen gemis aan zingeving beleven. In Amerika is een levendige outdoors-cultuur. Massa's mensen trekken de natuurparken in, volledig toegerust om te overleven. Ze trotseren er gevaren, eten slechts wat er op dat moment voor handen is. Ze genieten ervan dat hun keuzes beperkt zijn. (Omdat ze daar zelf voor gekozen hebben, natuurlijk)

Natuur

Maar ook wij, in ons dagelijks leven, van werken, eten, kunnen natuurlijk niet zonder natuur. 'Het is bewezen dat wij het beste functioneren bij voldoende daglicht, een regelmatig dag- en nachtritme en frisse lucht. Planten op kantoor zorgen voor een lager ziekteverzuim. We wandelen graag in parken en bossen. En genieten zo van de door ons gereguleerde natuur.

Maar onze natuurbehoefte lijkt dieper te gaan. Zoals gezegd kiezen we soms radicaal voor die natuur. 'Terug naar de natuur', heet dat dan. Leeft er in ons een behoefte naar die tijd, waarin het aankwam op onze vermogens te overleven? Verhalen hierover zijn in ieder geval vaak fascinerend. 'Kind groeit op bij wolven'  'Man leeft drie jaar op onbewoond eiland na neerstorten vliegtuig'

Hoe zijn die mensen in die situatie terechtgekomen? Welke ontberingen hebben ze moeten doorstaan? Wat hebben ze moeten doen om te overleven? We kunnen ons zo'n leven met alleen maar natuur bijna niet meer voorstellen. Hoe kom je aan eten? Wat kun je eten? Hoe blijf je warm? Hoe maak je vuur? Al die vaardigheden hebben wij niet meer hoeven te leren om te overleven. Voedsel, warmte en beschutting zijn - voor het grootste deel van de huidige wereldbevolking - vanzelfsprekend. We hebben de natuur onder controle gekregen om zo met groot gemak te voorzien in de eerste levensbehoeftes.

Wat spreekt er uit deze - weliswaar gecontroleerde - neiging tot de natuur? Is onze samenleving die comfort zone, waarin verveling en str ess voor een chronisch ambivalente stemming zorgen? Is een oorzaak hiervoor dat wij in onze geavanceerde samenleving steeds minder geconfronteerd worden met de dood? We leven steeds langer. Voor steeds meer ziektes is een medicijn. Ziekte en dood spelen zich vaak ver van ons huis en bed af. Natuurlijk raakt de dood van een naaste ons. Maar met onze eigen dood hebben we niet echt te maken. Zouden we, blootgesteld aan directe gevaren, meer gaan nadenken over onze eigen sterfelijkheid? Misschien dat een korte vergelijking tussen de primitieve samenleving en onze samenleving helpt bij een antwoord op deze vragen.

Primitiviteit, geestelijk comfort

In primitieve samenlevingen leven de mensen dichter bij de natuur. In plaats van technologie en comfort kenden de mensen de manieren en technieken om te overleven, om zelfvoorzienend te leven. Lichamelijk zijn de mensen dus zelfstandiger dan in onze geavanceerde samenleving. Het lichaam wordt op de proef gesteld. De primitieve mens staat vaker oog in oog met levensbedreigende gevaren. Doodsangst en overlevingsinstinct worden vaker aangesproken.

Voor geestelijke ontwikkeling is in die samenlevingen dan ook minder tijd. Religie doet er dienst als alomvattende verklaring. Mythes verklaren het ontstaan van de wereld. De natuur wordt bevolkt door de geesten van overleden dieren en voorouders. Vaak is de aanwezigheid van deze geesten ook een verklaring voor lotgevallen als ziekte en armoede. En na de dood leeft de mens als geest voort in de natuur. Of men reïncarneert. 'Het sterven van de mens als het slapen van de soort'

Religie geeft veel sterker dan nu richting aan het bestaan. Men is geestelijk sterk afhankelijk van het collectief. En juist omdat de dood geen definitief einde is, zou je kunnen zeggen dat er in deze samenlevingen sprake is van geestelijk comfort.

Moderniteit, geestelijk discomfort

Zoals gezegd komt in moderne samenlevingen de natuur slechts gereguleerd voor. Daarom zijn wij lichamelijk veel minder autonoom geworden, en juist afhankelijk van het collectief. Alle handenarbeid is door de technologie, letterlijk, uit handen genomen. In het vervullen van de basisbehoeften heeft men steeds hulp van buiten nodig. (lange productieketen.)

Het comfort waarin wij leven heeft ook nadelige kanten. Overgewicht en gebrek aan beweging leiden tot lichamelijk ongemak, wat weer sterk van invloed is op onze gemoedstoestand. Geestelijke ontwikkeling heeft ons weliswaar beter in staat gesteld autonoom beslissingen te nemen. Het wegvallen van een allesomvattende waarheid en een versnippering van het wereldbeeld, gepaard met de eindeloze keuzemogelijkheden die wij kennen, kunnen allemaal aanleidingen zijn tot piekeren. Zie het 'dertigersdilemma' en 'de midlifecrisis'. Geestelijk 'discomfort', kortom.

De dood

Maar hoe verhoudt dit geestelijke 'discomfort' zich ertoe dat we veel minder direct met dood en ziekte worden geconfronteerd? Is dat niet juist comfortabel? Zoals gezegd wordt de dood langer uitgesteld, en gaat zij vaak minder gepaard met pijn. Aan de andere kant is de dood voor veel mensen juist een definitief einde geworden. In wedergeboorte geloven we niet meer. We hebben slechts dit ene leven. De dood is daarmee los van het leven komen te staan. De dood is een abstractie, waaraan we maar minder vaak worden blootgesteld dan in de primitieve wereld.

Verklaart dit gemis van een directe dreiging en overleving dan onze hang naar de pure natuur? Daar zijn de keuzes immers beperkt. En is de mens op zijn eigen beslissingen aangewezen. Er is weinig eten, je beweegt er meer. En dreigende gevaren brengen ons weer in contact met onze eindigheid. Maar liet de korte schets van het leven in een primitieve samenleving, niet juist zien dat voor een dergelijk 'denken' niet veel plaats is? Het denken over de dood in de primitieve samenleving was gefundeerd op mythologieën. Er was minder ruimte voor een onderzoekend denken.

In een geavanceerde samenleving is er een overvloed aan informatie. We kunnen dergelijke mythologieën leren kennen, maar ook weerleggen. Niets staat meer onomstotelijk vast. Van de dood kunnen we met zekerheid niet veel meer zeggen dan dat het ons absolute einde is. We weten van de dood in dit leven even weinig af, als dat we ermee kunnen aanvangen. In de moderne samenleving weten we weinig van de dood af en kunnen we er ook weinig mee. Ook ons onderzoekende denken lijkt hier op te houden.

Cultuur

Een zoektocht in de wilde natuur, naar de ultieme grenzen van ons (over)leven. Naar duidelijke leefregels?
Of een inzicht in de ambivalentie van onze moderne levenshouding. Waarin het besef niet alles te kunnen kennen, voor verlamming kan zorgen?
Zowel deze zoektocht als de verkregen inzichten rusten zwaar op iets dat onlosmakelijk met ons verbonden is, en dat is cultuur.

Want als we dan echt afstand nemen van onze kennis en moderniteit, en terugkeren tot de directe natuur, oog in oog komen te staan met de grenzen van ons leven, dan is de kans groot dat dit bij opzichzelfstaande ervaringen blijft. En we er juist geen inzichten aan overhouden. We zullen met andere woorden altijd een cultuur nodig hebben om deze ervaringen in uit te drukken en te bewaren. Zelfs als het gaat om een directere confrontatie met de dood, vol ontberingen en overleving. Om onze sterfelijkheid niet te zien vanuit een mythisch, mysterieus groot verhaal vol hogere werelden, geesten en een eeuwige wederkeer, maar als het pure natuurverschijnsel waaraan wij allen ten prooi vallen, zonder te weten wat het precies inhoud te sterven, daarvoor is cultuur nodig.