Lees het eerste grote interview met de architect van het nieuwe Stedelijk
20 Dec 2008
HET STEDELIJK EFFECT
Oud-directeur Sandberg liet het interieur van het negentiende-eeuwse museumgebouw van architect A.W. Weissman aan de Paulus Potterstraat wit schilderen. Sindsdien geldt het Stedelijk lange tijd als een white cube in optima forma: een nieuw type museum dat navolging verdient. Nu, decennia later, wordt het oude gebouw verbouwd en uitgebreid. Wat waren de uitgangspunten en wat zal het effect zijn? Een gesprek met Mels Crouwel van Benthem Crouwel Architekten over hun ontwerp voor het nieuwe Stedelijk Museum.
Direct achter het oude Stedelijk Museum ligt een enorme bouwput. Hier bevond zich de Nieuwe Vleugel en in het verlengde van het restaurant de beeldentuin. Nu gaapt er een gat dat nog eens zo diep moet worden. Het grondwaterpeil is bereikt, maar onder water wordt verder gegraven. Duikers worden ingezet om de bodemgesteldheid te controleren. Zij markeren oneffenheden zoals houten palen of betonresten met behulp van GPS-techniek, zodat de graafmachines bovengronds precisiewerk kunnen leveren. In het water wordt vijfduizend vierkante meter vloeroppervlak gestort: een belangrijk deel van de nieuwe uitbreiding bevindt zich ondergronds. Maar de blikvanger van de uitbreiding wordt de witte ‘badkuip’ en de entree aan een nieuw openbaar plein op straatniveau.

Architect Mels Crouwel
Uw bureau heeft in Nederland verschillende bestaande, soms industriële, gebouwen omgebouwd tot succesvolle musea, zoals Stichting De Pont in Tilburg, het Fotomuseum Amsterdam (Foam), het GEM museum voor actuele kunst in Den Haag en Nederlands Fotomuseum in Rotterdam. Zijn er overeenkomstige ideeën die ten grondslag liggen aan deze ontwerpen en het ontwerp voor het Stedelijk Museum?
Wij zijn geneigd om het onderscheid tussen het oude en het nieuwe zo helder mogelijk te maken, maar het is niet zo dat je voor alle gebouwen één recept kunt geven. In 1980 tekenden we voor een architectuurprijsvraag een uitbreiding van Berlage’s raadhuis in het Groningse dorp Usquert. Direct naast het oude gebouw plaatsten we een radicaal nieuw gebouwtje, die we met elkaar verbonden door een gang van glas. Een ver gaande oplossing, zou je kunnen zeggen, die we nu opnieuw gebruiken bij het ontwerp voor het Stedelijk. In andere situaties, zoals bij het Anne Frankhuis en bij het Foam, is een combinatie gemaakt van restaureren en het veranderen van de bestaande architectuur en routing. We willen altijd laten zien in welke tijd iets is gebouwd. Nieuwe toevoegingen in een bestaand gebouw detailleren we op zo’n manier dat de oorsprong duidelijk is. Bij De Pont vormde de kale industriële baksteenarchitectuur van de voormalige wolspinnerij het uitgangspunt dat we zo veel mogelijk wilden handhaven. Daar zijn alle installaties in de muren gehakt en later weer dicht gemaakt. Dat is niet echt restaureren. Hedendaagse toevoegingen zijn verweven geraakt met de historische ondergrond. Toch is de architectonische inzet puur gehouden en is de nieuwe uitbreiding zo gedetailleerd dat het onderscheid tussen oud en nieuw helder is.
Vanuit welk idee heeft u gewerkt aan het ontwerp voor het Stedelijk Museum? Spraakmakend is de enorme luifel met het hangende volume, de badkuip, en een open plein op de begane grond met de hoofdentree.
Het idee was om een heldere, compromisloze verhouding te vinden tussen de bestaande architectuur en onze inzet. Wij wilden per se niet dat de uitbreiding een annex zou worden, waarbij het nieuwe gebouw secundair zou zijn aan het oude gebouw. Aan de andere kant wilden we de kwaliteiten van het bestaande gebouw volledig benutten. We hebben de entree rigoureus honderdtachtig graden gedraaid naar de zonzijde van het museum, aan het Museumplein: een stedenbouwkundige ingreep die bepalend is geweest voor de verdere uitwerking van het ontwerp. Bij het Centre Beaubourg en Carré d’Art van Norman Foster in Nîmes kun je zien dat de overgang tussen binnen en buiten, die publieke ruimte, van belang is voor een museum en de stad. We zijn begonnen met het tekenen van een grote luifel en hebben een deel van het programma van eisen de grond in gedrukt. De vorm van de badkuip is ontstaan vanuit het onderbrengen van de rest van het programma. Omdat we het plein zo ver mogelijk in het gebouw wilden laten doorlopen, hebben we zo weinig mogelijk pootjes onder de badkuip gezet. In de doorsnede hebben we de verbinding getekend tussen plus één, de verdieping, en min twee, de kelder. Dat is een grote roltrap die het verticale circuit verzorgt. De nieuwbouw op plus één vormt een geheel met het circuit van het oude museum. Eigenlijk is het een kwestie van het functioneel ordenen van het programma naast de stedenbouwkundige ingreep die je wilt maken.
De renovatie van het gebouw van Weissman kenmerkt zich door een terughoudendheid waarmee veranderingen in het bestaande bouwwerk zijn aangebracht. De monumentaliteit en het natuurlijke licht worden gehandhaafd en de routing volgt nauwgezet de oorspronkelijke symmetrische indeling.
Er zaten nagenoeg geen installaties in het historische gebouw. Dat betekende dat we voorzetwanden moesten maken met klimaatbeheersing. Het systeem brengt verse lucht vanuit de bovenzijde van de voorzetwanden in de zalen en zuigt deze via de onderzijden weer af. De luchtvochtigheid en temperatuur worden op constante waarden gehouden. Bij de doorgangen zijn de brandslangen in de muren verwerkt. Historische karakteristieke elementen zoals de monumentale, ornamenten afwerking van de traphal en oude entree herstellen we. Ook de dakkappen van het Stedelijk Museum laten we zo origineel mogelijk. Delen waar je niet komt of interessante bouwkundige constructies die je niet ziet, behandelen we net zo.
We grijpen terug naar de hoofdprincipes van de architectuur van Weissman. Alle tussenvloeren die er in de loop der tijd waren ingebouwd zijn gesloopt. Boven aan de straatkant zijn de oorspronkelijke ‘kijkdoos’ zalen gehandhaafd. De zalen vormen een enfilade, met de doorgangen op een rij, waardoor de zichtlijnen in de oorspronkelijke plattegrond en routing terug zijn. We hebben het daglicht van de ramen rondom het gebouw zo veel mogelijk gebruikt. Beneden hebben we de routing licht aangepast, die slingert door de achter en naast elkaar gelegen zalen. De nieuwe eisen voor lichttoetreding bepalen dat de zalen donkerder moeten worden. We hebben computergestuurde lamellen in de glaskappen achter het glas geplaatst met daaronder een isolerende transparante laag en een nieuw velum. Als je de lamellen open zou zetten, laat je de hoeveelheid licht van vroeger toe, maar dat mag niet meer. Het velum komt nu hoger te hangen zodat de rondingen in de hoeken van een aantal zalen weer in het zicht komen. We zoeken een balans tussen technische eisen, referenties naar de oorspronkelijke architectuur en afwerking van de zalen, waarbij de klimaatwanden herkenbaar zijn als nieuwe toevoegingen. Het was een gebouw met alleen verwarming en wat ventilatie, straks voldoet het gebouw aan de hoogste eisen.
Er lag een programma van eisen dat in nauwe samenwerking met de medewerkers van het museum tot stand is gekomen. U hebt vaak gezegd dat bij grote projecten de ontwerpende disciplines moeten worden ingeschakeld voordat het programma van eisen klaar is, zodat de architect een rol kan spelen in het kaderstellende deel van de opdracht. Waren hiertoe nog mogelijkheden na de toekenning van de opdracht?
Je maakt in zo’n competitie de afweging hoe dicht je bij het programma blijft. Wij proberen altijd de ruimtes in vierkante meters die worden gevraagd, heel precies in het ontwerp te krijgen en met een zo goed mogelijke routing. Het programma was ongeveer zo groot als twee extra lagen in de voormalige beeldentuin. We hebben de gok genomen om een ondergronds deel te maken met een hoge museumzaal zonder daglicht. Daardoor ontstond ruimte voor een stedenbouwkundige ingreep op straatniveau. Dat is het voordeel van een competitie en geen contact hebben met je opdrachtgever. Het is alles of niets.
Na de jurering werd een nieuwe directeur aangesteld, Gijs van Tuyl, die een aantal dingen naar eigen inzicht wilde aanpassen. Vooral in de kelder is achter de schermen van alles veranderd, maar dat heeft aan het grote gebaar niets veranderd. In hoofdzaken is het definitieve ontwerp gelijk aan het voorlopige ontwerp.
Jullie ontwerpstrategie begint dus niet vanuit een creatief concept, maar bij analyse en functionaliteit. Jullie maken ruimte voor het ervaren van kunst zonder dat de architectuur de overhand heeft. Alle techniek lijkt gecontroleerd, zoals lichtval, de vochtigheidsgraad en logistieke problemen, ten gunste van comfort en leefbaarheid. Waarin is dit ontwerp technisch vernieuwend?
Het meest vernieuwende is het buitenmateriaal van de badkuip, een composiet dat is gemaakt van Tenax koolstofvezels en van supersterke Twaron aramide vezels die ze ook in kogelvrije vesten gebruiken. Het materiaal heeft geen uitzettingscoëfficiënt. Dat is voor een bouwwerk heel bijzonder, want je hoeft geen naden en dilatatievoegen te maken om de werking op te vangen. Het gebouw meet honderd meter en beweegt praktisch niet. Terwijl een ander gebouw van honderd meter lang, van staal, aluminium of steen, vijf tot zes centimeter uitzet en krimpt.
Omdat de badkuip bijna geen gebouw is, het is binnen en buiten, interieur en exterieur, meubel en tentoonstellingsruimte tegelijk, was die gladde en naadloze afwerking een versterking van het idee om een volstrekt andere architectuur te plaatsen naast het negentiende-eeuwse gebouw. De manier hoe we de lichtval hebben opgelost is een opeenstapeling van verschillende mogelijkheden die al eerder zijn toegepast. In de kelder hebben we een computergestuurd lichtsysteem voorgesteld, waarmee je puur daglicht kan maken en zelfs af en toe een wolk voorbij kan laten drijven. Maar dat is op dit moment geschrapt.
Hoe bepalend is jullie ontwerp voor de hernieuwde culturele status van het Stedelijk?
We refereren met het wit van de badkuip aan de actie van Sandberg. Net als toen Sandberg het interieur wit schilderde en van het Stedelijk in de jaren vijftig een opvallend, progressief modern kunstmuseum heeft gemaakt, is het de bedoeling om het museum nu weer zo’n impuls te geven. Dat gebeurt door het oude nog beter te laten functioneren dan het al deed en door er een belangwekkende toevoeging aan te zetten.
Het juryrapport spreekt over ‘eenheid in tweevoud’. Op welke manier maakt u van het historische gebouw en de uitbreiding een geheel?
Binnenwanden, vloer en verlichting zijn overal hetzelfde. Je ervaart het museum binnen als een continue geheel, terwijl de architectuur buiten totaal verschillend is. De nieuwbouw is aangesloten op de erezaal met twee doorgangen. De erezaal krijgt daardoor een centrale functie in het circuit. Het ontsluit aan de ene kant de beroemde trap en omgang in het oude gebouw, en via de twee doorgangen aan de andere kant is er direct aansluiting op de roltrap in de nieuwbouw.
De vloeren van behandeld eiken geven de expositieruimtes een meer neutraal karakter dan het oorspronkelijke visgraat eiken parket. Over die vloer is nog steeds discussie. Kies je voor neutraliteit of kies je voor authenticiteit. Of kies je voor één oplossing zodat de focus tijdens de inrichting optimaal ligt bij het werk, zonder dat de karakter van een vloer meespeelt.
Het belang van de openbare ruimte in uw ontwerp doet vermoeden dat uw verantwoordelijkheidsgevoel verder reikt dan het gebouw en de omringende kavel. In hoeverre ziet u dit project als vliegwiel voor de verbetering van het Museumplein?
Wij houden van publieke gebouwen en zijn ons bewust van het belang van zo’n gebouw voor de stad en de openbare ruimte. Het zou mooi zijn als het plein zich verder ontwikkelt in samenhang met het Rijksmuseum, het Van Gogh Museum en het Concertgebouw die eraan liggen. Het Van Gogh denkt al na over een tweede ingang aan die zijde en het Rijksmuseum wordt straks meer dubbelzijdig georiënteerd. Architect Cuypers heeft ooit al eens een gebouw getekend tegenover het Concertgebouw en tegenover het Rijksmuseum. Het zou mooi zijn om daar nog een cultureel gebouw te zetten.
Een Beaubourg-effect op Amsterdamse schaal?
Als het goed is, wordt het een levendig stuk stad waar van alles gebeurt, waar mensen verblijven, elkaar ontmoeten, waar mensen muziek maken, met de haringkar op de hoek en ‘s avonds projecties op de buitengevel. Echt een hoogwaardig stuk openbare ruimte.
Anneloes van der Leun
Anneloes van der Leun is hoofd communicatie bij het Stimuleringsfonds voor Architectuur in Rotterdam. Daarnaast werkt ze als freelance schrijver en redacteur aan publicaties over architectuur, kunst en vormgeving.
(uit: Stedelijk Museum Bulletin 3, 2008)
Reacties
R3Q32K <a href="http://lwpwoaxytuse.com/">lwpwoaxytuse</a>
Now I feel stupid. That's claered it up for me